Tien jaar ZOLAD/Zolad+ in foto’s – 16 juli 2010

16 juli 2010 - bijkomend onderzoek op Caestert

16 juli 2010 – bijkomend onderzoek op Caestert

In april en juli 2010 voerde RAAP Archeologisch Adviesbureau bijkomend waarderingsonderzoek uit op het plateau van Caestert. Dit plateau ligt op een hoge landtong tussen de Maas in het oosten en het Albertkanaal in het westen en is archeologisch vooral bekend vanwege de aanwezigheid van een grote hoogteversterking uit de IJzertijd en wellicht het begin van de Romeinse tijd. Het onderzoek in 2010 is een vervolg op een eveneens door RAAP uitgevoerde evaluatie van het plateau in 2008
Vervolgonderzoek bleek nodig om de archeologisch te beschermen zone beter te kunnen afbakenen. Het plateau bleek historisch immers niet alleen van belang omwille van een grote (ca. 20 ha) versterking (gekenmerkt door wallen en grachten) uit de ijzertijd, maar ook vanwege een nu verdwenen kasteel (1356-1972), een fraaie maar vervallen vierkantshoeve (1686) en mergelgroeven (vanaf 1468). Veel van wat er is opgegraven werd nooit gepubliceerd.

In het zuiden van de versterking bevinden zich binnen de wal bovendien zeer goed bewaarde verbrande resten van een houten raamwerk, murus Gallicus (type Ehrang). Uit 14C-dateringen bleek dat het zuidelijk deel van de versterking in de late ijzertijd-begin Gallo-Romeinse tijd (ca. 250-20 voor Chr.) gebouwd en gebruikt werd. De historische datum van 54 voor Chr., waarin het plateau van Caestert mogelijk bekend stond als Atuatuca, in de nabijheid waarvan een veldslag heeft plaatsgevonden tussen Kelten (Eburonen) en Romeinen (manschappen van Caesar), kon bevestigd noch ontkend worden. In dit rapport worden eerst de bijkomende resultaten van de magnetometrische prospectie gepresenteerd op in totaal 9,65 ha. Ten noorden van de Caestertweg kwam daarbij een aantal belangwekkende sporen tevoorschijn, enerzijds aansluitend bij de de vierkantshoeve (een wal met palen en een gracht uit de ijzertijd) anderzijds in het westen (een zeer duidelijk te onderscheiden, circa 105 m lange lineaire structuur en ook in dit geval werd een gracht en wal uit de ijzertijd gepostuleerd) en ook elders (waaronder mogelijk sporen uit WOII).

Tijdens het proefsleuvenonderzoek werden op de locatie van een oude sleuf van Roosens paarsgewijs geplaatste ijzeren palen uit WOI aangetroffen. In een pollenmonster uit de gracht is een aantal relatief recente (middeleeuwse) gewassen herkend (zoals korenbloem, boekweit en rogge). Dit doet vermoeden dat de aangetroffen wal en gracht recent zijn. In een tweede sleuf is een gracht van circa 5.60 m breed en 1.80 m diep aangetroffen met een zeer schone vulling en een vlakke bodem. Een fragment houtskool in de gracht leverde een datering in de late ijzertijd/begin Gallo-Romeinse tijd op. De gracht representeert mee de noordelijke begrenzing van de versterking. Uit de boringen blijkt dat de wal circa 12 m breed is en voor een deel uit uit stenige onverbrande leem bestaat.

23 juni 2008 - Archeologisch onderzoek op Caestert

23 juni 2008 – De murus Gallicus tijdens het archeologisch onderzoek op Caestert

Er lijkt hier dus geen sprake te zijn van een verbrande murus Gallicus constructie (zie foto links, verbrande sporen met de gracht ervoor) . De vooruitstekende landtong in het noordwesten van het plateau is een natuurlijk fenomeen dat bij het plateau van Caestert hoort. Metaaldetectie leverde op een grote oppervlakte slechts 2 archeologische vondsten op: een loden gewicht met een onbekende datering en een Romeinse munt. Er kan bijgevolg getwijfeld worden aan grootschalige menselijke aanwezigheid op de versterking in de Vroeg Romeinse tijd, zoals het geval zou zijn geweest indien het Atuatuca zou betreffen.

Op basis van de 14C-dateringen kan wel worden gesteld dat de gedateerde delen van de versterking zeker in de late ijzertijd (La Tène II en III) en de Gallo-Romeinse tijd, dat wil zeggen tussen circa 250 en 20 voor Chr., werden gebouwd en gebruikt. Twee dateringen uit de midden ijzertijd (La Tène I) kunnen wijzen op een relatief vroege datering van het noordelijke deel, maar kunnen ook te wijten zijn aan het ’oud hout effect’. Op basis van deze dateringen kan de versterking als Atuatuca een rol hebben gespeeld tijdens de slag tussen Ambiorix en Sabinus en Cotta in 54/53 voor Chr. of tijdens de opstand van de Treveri in 29 voor Chr. De opgravingen, metaaldetectie en het magnetometrisch onderzoek hebben echter geen aanwijzingen opgeleverd voor de

aanwezigheid van (grote groepen) Romeinse soldaten of Keltische krijgers. Het veldwerk heeft vooral aangetoond dat de versterking veel groter was (35 ha) dan eerder vermoed/ bekend, met de resten van 5 verdedigingssystemen. Het hele onderzoeksgebied bevat dus belangwekkende archeologische en historische resten en verdient daarom beschermd te worden.

bron: Zolad+ – RAAP – https://oar.onroerenderfgoed.be/uitgave/145

Facebooktwittergoogle_pluslinkedinmail